Deze website maakt gebruik van cookies
om het gebruiksgemak te verbeteren Accepteren Meer informatie

Rechtspositioneel niet goed geregeld, dat kan beter!

Ziek? dan geen WW en Bovenwettelijke uitkering (meer).
Als gevolg van een Ziektewet of WIA-uitkering voldoe je niet (meer) aan de voorwaarden voor een WW en bovenwettelijke uitkering.

In twee casus — TAR 2015/75 en TAR 2015/139 — kreeg de Centrale Raad van Beroep de vraag voorgehouden hoe een door de overheidswerkgever getroffen ontslagregeling bij, samengevat, ontslag wegens een verstoorde arbeidsverhouding moet worden toegepast, indien voorafgaand, tijdens of na het ontslag sprake is van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Dezelfde vraag kan spelen bij het, in overleg, treffen van een beëindigingsregeling in de vorm van een vaststellingsovereenkomst, ook wel bevoegdheden overeenkomst genoemd. In dat geval speelt de extra discussie over benadelingshandelingen.

In de eerste casus was sprake van zeven maanden ziekte op het moment dat eenzijdig ontslag werd verleend wegens het onherstelbaar verstoord zijn van de arbeidsverhouding. Door het uitblijven van overeenstemming kon geen beëindigingsregeling worden bereikt. Het bevoegd gezag treft voor de ambtenaar een voorziening op basis van de Werkloosheidswet en de vigerende Bovenwettelijke uitkeringsregeling (aanvullende en aansluitende uitkering) en garandeert deze regeling voor het geval door het UWV de WW niet wordt toegekend, als ware bij het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 WW. Ook wordt vastgelegd dat op de uitkering de bepalingen van de WW en de Bovenwettelijke uitkering van toepassing zijn. Omdat de ambtenaar ten tijde van het ontslag ziek is, kan geen aanspraak worden maakt op deze “gegarandeerde” uitkeringen. De ambtenaar komt in beroep met samengevat de stelling dat niet in redelijkheid van de ontslagbevoegdheid gebruik mocht worden gemaakt, omdat haar  inkomensverlies groter was dan in geval van werkloosheid. Ik vermoed dat zij met deze stelling doelde op het feit dat zij alleen een Ziektewetuitkering kreeg en geen aanvullingen. Uit de uitspraak blijkt echter dat de werkgever de bezoldiging na het ontslag heeft doorbetaald in overeenstemming met de geldende rechtspositie.

De tweede casus is vergelijkbaar met de eerste, met dit verschil dat in deze casus de ambtenaar zich per ontslagdatum ziekmeldt. Ook aan deze ambtenaar wordt de voor een ontslag op andere gronden gangbare ontslagregeling toegekend en gegarandeerd. Als voorwaarde wordt gesteld dat de ambtenaar voldoet en blijft voldoen aan de voorwaarden en gronden die daarvoor ingevolge de WW en de bovenwettelijke uitkeringsregeling gelden. Vanwege de ziekte kent het UWV de ambtenaar voorschotten op het ziekengeld toe. De gemeente doet hetzelfde voor wat betreft de bovenwettelijke uitkeringsrechten als aanvulling op de voorschotten ziekengeld. Na 2 jaar ziekte wordt de ambtenaar een WIA-uitkering toegekend. De gemeente bepaalt enige maanden later dat de ambtenaar niet in aanmerking komt voor de bovenwettelijke uitkering, omdat hij in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, waardoor hij niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de WW en, omdat het recht op een WW-uitkering een voorwaarde is voor het recht op een bovenwettelijke uitkering, evenmin in aanmerking komt voor de bovenwettelijke uitkering.

Oorzaak voor het probleem
De hiervoor beschreven effecten zijn een gevolg van de samenloop van bepalingen in de diverse rechtspositieregelingen, die in geval van ontslag wegens verstoorde verhoudingen gaan gelden en de Werkloosheidswet (artikel 19 eerste lid aanhef en onder a en b).

In beide uitspraken oordeelde de Raad, dat uit deze bepalingen niet kan worden afgeleid dat de getroffen (rechtspositionele) ontslagregeling een absolute (in de zin van onvoorwaardelijke) garantie op een bovenwettelijke uitkering behelst. De ambtenaar moet immers voldoen aan de voorwaarden voor het recht op WW-uitkering. De in de financiële regeling opgenomen garantie is pas aan de orde indien en voor zover het UWV de ambtenaar een WW-uitkering weigert wegens verwijtbare werkloosheid in de zin van artikel 24 WW. Deze garantie strekt zich niet uit tot de situatie dat op grond van artikel 19 Ziektewet geen recht op een WW-uitkering bestaat omdat de ambtenaar een Ziektewet-, respectievelijk WIA-uitkering is toegekend.

Hoe doe je het beter?
Het vorenstaande komt slechts anders te liggen indien de rechtspositie, of de werkgever aan de ambtenaar ook een bovenwettelijke uitkering toekent (garandeert) indien deze een Ziektewet- en/of WIA-uitkering ontvangt; dat was in geen van beide hiervoor behandelde uitspraken het geval.

Biedt de rechtspositie geen soelaas, dan is pogen om bij een dergelijk ontslag overeenstemming te bereiken over een vaststellingsovereenkomst meer dan aangeraden. In dat geval ligt voor de ambtenaar een ander risico op de loer en dat is wat heet het probleem van de “de benadelingshandeling”.

Onder benadeling wordt verstaan het zonder deugdelijke grond nalaten verweer te voeren tegen, of instemmen met een beëindiging van de aanstelling. Van de ambtenaar mag worden verwacht dat hij zijn aanspraken op loon tijdens ziekte niet onnodig prijsgeeft indien en voor zover dit tot gevolg heeft dat het UWV eerder of over een langere periode ziekengeld moet betalen.

Het kan in bepaalde situaties en tijdspannen dus (financieel) bijzonder onverstandig zijn een beëindigings- of vaststellingsovereenkomst aan te gaan en te ondertekenen. Dat ligt dan weer net even anders indien bijvoorbeeld kan worden gewezen op een deugdelijke medische grond of omdat geen sprake was van voorzienbare arbeidsongeschiktheid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. In deze situaties komt het aan op “fingerspitzengefühl” en is deskundige bijstand vrijwel altijd onmisbaar.

LinkedIn 7197


Gerelateerde artikelen

Abonneer u op de nieuwsbrief

En ontvang ons laatste nieuws.