Deze website maakt gebruik van cookies
om het gebruiksgemak te verbeteren Accepteren Meer informatie

Rechtbank legt bom onder rechtspositie openbaar onderwijs

De Stichting Apeldoorns Voortgezet Openbaar Onderwijs behoort niet tot de openbare dienst.  De ontslagen medewerker is dus geen ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet oordeelde  de rechtbank Gelderland, sector bestuursrecht op, 5 februari 2015.

Deze uitspraak kan, als de Centrale Raad van Beroep in Utrecht er ook zo tegen aan kijkt, vergaande gevolgen hebben voor duizenden medewerkers in dienst van Stichtingen voor het openbaar onderwijs.

Wat speelt er?

In o.a. de Wet op het primair en voortgezet onderwijs is opgenomen dat de gemeenteraad kan besluiten om het openbaar onderwijs uit te besteden aan een privaatrechtelijke stichting. Een dergelijke stichting behoort tot de openbare dienst, als voldaan is aan de in deze wetten genoemde voorwaarden. Als aan die voorwaarden is voldaan en de Stichting Openbaar Onderwijs dus tot de openbare dienst behoort, is in beginsel het voor die stichting werkzame personeel ambtenaar in de zin van de Amtenarenwet. Essentie van de voorwaarden is dat er  voldoende overheidsinvloed van de gemeenteraad op het bestuur van de Stichting is verzekerd.

In de betreffende uitspraak komt de rechtbank na een uitgebreide analyse van de statuten van de Stichting tot het oordeel dat van een overwegende overheidsinvloed van de gemeenteraad op de Stichting geen sprake is. Zo heeft de gemeenteraad geen invloed op de samenstelling van de Raad van Toezicht en geen invloed op het vaststellen van de begroting en de jaarrekening. Deze Stichting behoort volgens de rechtbank dan ook niet tot de openbare dienst en de ontslagen medewerker is dus, anders dan zowel de Stichting als de medewerker altijd gedacht hebben,  géén ambtenaar. De rechtbank verklaart zich onbevoegd en de betreffende medewerker dient zich volgens de rechtbank tot de burgerlijke rechter te wenden.

Hoewel de uitspraak van de rechtbank op juridische gronden goed te volgen is, kun je je afvragen of deze uitspraak in de praktijk wel wenselijk en uitvoerbaar is. In elk geval leidt de uitspraak tot veel onduidelijkheid. Er zijn veel Stichtingen voor openbaar onderwijs in het land die door de gemeenteraad bewust “op afstand” zijn geplaatst en waarbij de overheidsinvloed beperkt is. Er zijn nog maar weinig gemeenten waarin het openbaar onderwijs direct onder de gemeente, c.q. het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad vallen. Niettemin wordt op deze scholen, die onder deze Stichtingen vallen, openbaar onderwijs gegeven. Dit ter onderscheiding van het bijzonder onderwijs, dat doorgaans een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag heeft. Van oudsher zijn leerkrachten en medewerkers die openbaar onderwijs geven aangesteld als ambtenaren en hebben personeelsleden werkzaam in het bijzonder onderwijs een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs worden overigens door de overheid bekostigd.

Door deze uitspraak moet elke Stichting voor openbaar onderwijs minutieus (laten) nagaan of in hun statuten nog wel voldoende overheidsinvloed is verzekerd. Als dat niet het geval is, kan dat tot gevolg hebben dat al het personeel geacht moet worden een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht te hebben in plaats van een ambtelijke aanstelling. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de wijze waarop ontslag verleend moet worden en de rechtsgang die daartegen open staat, maar bijvoorbeeld ook voor de vraag welke paragrafen uit de CAO van toepassing zijn; de bepalingen die handelen over het openbaar of die over het bijzonder onderwijs?

Bron: rechtspraak.nl, ECLI:NL:RBGEL:2015:699

Gerelateerde artikelen

Abonneer u op de nieuwsbrief

En ontvang ons laatste nieuws.