Deze website maakt gebruik van cookies
om het gebruiksgemak te verbeteren Accepteren Meer informatie

Van-werk-naar-werk-traject niet in strijd met WNT?

De doorbetaalde periode van non-activiteit, die voorafgaat aan een ontslag wegens een impasse in de arbeidsrelatie is niet in strijd met de WNT oordeelde de rechtbank Overijssel op 13 maart 2015. Deze uitspraak is voor de praktijk van belang omdat er nog nauwelijks jurisprudentie over de toepassing van de WNT is.

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector regelt naast de beloning ook de maximale ontslagvergoeding die een topfunctionaris mag krijgen. Een periode van non-activiteit, voorafgaande aan het ontslag, kan daarbij ook gezien worden als een vorm van ontslagvergoeding. Deze casus gaat daarover.

De directeur van de Stadsbank Oost Nederland legde in overleg met de voorzitter van het algemeen bestuur op 29 maart 2013 zijn functie neer, vanaf dat moment wordt getracht tot een minnelijke oplossing te komen. Ook zijn herplaastingspogingen gedaan. Uiteindelijk wordt op 1 januari 2014 ontslag verleend. De directeur heeft gedurende de periode van 29 maart 2013 tot 1 januari 2014 thuisgezeten met behoud van de bezoldiging. De rechtsvraag is of de met deze thuiszitperiode samenhangende bezoldiging is aan te merken als een ontslagvergoeding in de zin van de WNT?

De rechtbank overweegt dat in artikel 2:10, derde lid, van de WNT toen was bepaald, dat partijen niet mogen overeenkomen dat het dienstverband op een later tijdstip eindigt, dan het tijdstip waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake was, omdat het de bedoeling van partijen was om in overleg te komen van werk tot werk. Omdat dit tijd kostte, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank tot een impasse geleid en dat vormt de grondslag voor het ontslag.

De aan betrokkene toe te kennen “plus”-vergoeding is volgens de rechtbank beslist geen verkapte ontslagvergoeding. Op grond van de omstandigheden van het geval waarin verweerder, schuld heeft aan het ontstaan van de impasse (en dus het ontslag) door het tekort schieten in de inspanningen om eiser te begeleiden van werk naar werk, is er een grondslag voor een ontslagvergoeding, daarbij ontstaat geen strijd met de WNT.

Met andere woorden: op het moment van non-actiefstelling was er geen impasse; de impasse is ontstaan als gevolg van een tekortschieten van de werkgever in de herplaatsingsinspanningen. Daaruit leidt de rechtbank af dat geen sprake is van strijdigheid met de WNT. Op het moment van het beëindigen van de taken door de directeur was er geen grondslag om het dienstverband te beëindigen, redeneert de rechtbank kennelijk.

Dit heeft wat weg van een doelredenering. Dat is ook wel begrijpelijk. Een te strikte uitleg van de WNT zou namelijk tot een onredelijke uitkomst hebben geleid. De directeur zou dan in de periode tot aan zijn ontslag al een gedeelte van zijn ontslagvergoeding van maximaal € 75.000,- hebben opgegeten.

De besproken uitspraak gaat over “oud” recht. De WNT is met ingang van 1 januari 2015 gewijzigd. Artikel 2:10, derde lid, WNT is verder dichtgespijkerd. Bezoldiging over de periode waarin de topfunctionaris, vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband, geen taken meer vervult, wordt nu ook aangemerkt als een uitkering wegens beëindiging van het dienstverband. De vernieuwde WNT merkt de datum waarop de topfunctionaris de uitoefening van zijn taken beëindigt, aan als de datum waarop het dienstverband eindigt.

De vraag is of in  de casus van de directeur van de Stadsbank Oost Nederland onder de werking van de “nieuwe” WNT, de periode van loondoorbetaling voorafgaande aan het ontslag nog buiten beschouwing mag worden gelaten. Met de redenering van de rechtbank Overijssel zouden we dan moeten zeggen, dat op 29 maart 2013 nog geen sprake was van een situatie waarin uitzicht bestond op beëindiging van het dienstverband, zodat het neerleggen van de taken niet geschiedde vooruitlopend op de beëindiging van het dienstverband. Dat vraagt toch wel wat meer lenigheid van redeneren.
Bron: rechtspraak.nl, Rechtbank Overijssel, 13 maart 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:1315

Abonneer u op de nieuwsbrief

En ontvang ons laatste nieuws.