Deze website maakt gebruik van cookies
om het gebruiksgemak te verbeteren Accepteren Meer informatie

Ontslag van een (gemeente)ambtenaar tijdens de proeftijd wordt lastiger

Met ingang van 15 oktober 2006 is mevrouw X, na de sollicitatie procedure, die door de gemeente M aan een extern bureau was uitbesteed, aangesteld in tijdelijke dienst bij wijze van proef voor de duur van één jaar door de gemeente M.

Op 21 maart 2007 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden waarin de leidinggevenden van mevrouw, de gemeente secretaris en de adjunct-directeur, kritiek hebben geuit op haar functioneren. Op 27 maart 2007 wordt mevrouw door het college in kennis gesteld van het voornemen haar aanstelling tussentijds te beëindigen. Nadat mevrouw haar bedenkingen kenbaar had gemaakt, besloot het college op 11 april 2007 de aanstelling met ingang van 13 april 2007 tussentijds te beëindigen. Het college was, naast een discussie over het cv van mevrouw, van oordeel dat mevrouw niet voldeed aan de in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen.

Het bezwaar en het beroep in eerste aanleg, werden ongegrond verklaard, waarna deze kwestie in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep belandde, die op 21 januari 2010 uitspraak deed.
In zijn uitspraak staat de Raad stil bij de ontslagsystematiek zoals die voor gemeenteambtenaren is opgenomen in de Collectieve Arbeidsvoorwaarden Regeling/UitWerkingsOvereenkomst (CAR/UWO) in het bijzonder de artikelen 8:12 en 8:12:1, waarin het (tussentijds) ontslag uit een tijdelijke aanstelling is geregeld.
In artikel 8:12:1 CAR/UWO is ondermeer bepaald dat de ambtenaar (..) ook ontslag kan worden verleend op één van de andere gronden genoemd in hoofdstuk 8 van de CAR/UWO.
In de dagelijkse praktijk wordt tegen deze bepaling aangekeken als zijnde een facultatieve bepaling. Primair wordt zij uitgelegd op de wijze zoals door de gemeente in deze kwestie is gedaan: “Het college is van oordeel dat u niet aan de in redelijkheid gestelde verwachtingen heeft voldaan”. Soms wordt deze motivering uitgebreid met: “en het is ook niet te verwachten dat dit op korte termijn wel het geval zal zijn.”. In zijn algemeenheid wordt het in de praktijk, vanwege de motiveringseisen die daarmee gepaard gaan, ontraden om te grijpen naar één van de benoemde gronden in hoofdstuk 8, of wordt deze benoemde ontslaggrond als secundaire ontslaggrond gehanteerd. Uit de hier besproken uitspraak blijkt slechts van het eerste en niet van het laatste.

De Raad zet in zijn uitspraak een streep door de handelswijze van de gemeente. Daarnaast wordt “afgerekend” met de verkeerde gedachte in de praktijk dat het gebruik van de in hoofdstuk 8 genoemde ontslaggronden een facultatieve aangelegenheid is. Niets is minder waar; bij tussentijds ontslag van een in tijdelijke dienst bij wijze van proef aangestelde gemeente ambtenaar moet de gemeentelijke werkgever kiezen uit één van de in hoofdstuk 8 genoemde gronden.

Essentie van de uitspraak

De Raad is van oordeel:
“.. dat uit het samenstel van de bepalingen van artikel 8:12 en artikel 8:12:1 van de CAR/UWO voortvloeit dat het college bij een tussentijds ontslag in de proeftijd moet kiezen uit één van de gronden in hoofdstuk 8 van de CAR/UWO. De door het college gehanteerde grond van het niet voldoen aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen (LJN:BA4514), kan naar het oordeel van de Raad worden opgevat als een ontslag wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid anders dan op grond van ziekte of gebrek als bedoeld in artikel 8:6 CAR/UWO. Dit ongeschiktheidontslag moet worden beoordeeld in het licht van de proeftijdsituatie. Dat betekent dat (…) voor de beoordeling niet de (zware) toetsingsmaatstaf dient te worden aangelegd die de Raad gebruikelijk hanteert bij een ongeschiktheidontslag uit een vast dienstverband (TAR 2007/112 en TAR 2008/76). Het betekent anderzijds dat ook niet kan worden volstaan met de (lichte) toetsing die aan de orde is bij het niet voorzetten van een tijdelijk dienstverband op proef bij het van rechtswege aflopen daarvan, welke toetsing is beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan (LJN:BA4514, TAR 1999/37 en TAR 2004/90).
De toetsing zal minder terughoudend moeten zijn. Zij zal zich moeten toespitsen op de beantwoording van de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt en of de ambtenaar een reële kans heef gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd.”

Bespiegelingen

Uit deze uitspraak blijkt ten eerste dat, uit het samenstel van de artikelen 8:12 en 8:12:1 CAR/UWO, ondanks de woorden “kan ook ontslag worden verleend”, bij tussentijds ontslag van een voor proef aangestelde ambtenaar, de verplichting voortvloeit om één van de in hoofdstuk 8 opgenomen ontslaggronden te hanteren.

Ten tweede blijkt dat bij een tussentijds ontslag, waarbij sprake is van een proeftijdaanstelling niet (meer) kan worden gegrepen naar de algemene motivering, dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

Wat deze uitspraak helder maakt, is dat bij het verlenen van tussentijdsontslag wegens disfunctioneren van een voor een proeftijd aangestelde ambtenaar wel stevige, maar niet de zware toetsingseisen gelden, die worden gehanteerd voor het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar. Van de overheidswerkgever wordt verwacht dat hij komt met een deugdelijke, feitelijke onderbouwing, waaruit een reële herkansing (nog in de proeftijdperiode) voor de ambtenaar blijkt met begeleiding van deze en dat de ambtenaar deze kans niet heeft benut. De herkansingseis komt slechts anders te liggen indien (definitief) komt vast te staan dat pogingen tot verbetering bij voorbaat gedoemd zijn te mislukken, bijvoorbeeld omdat partijen het er over eens zijn dat i.c. sprake is van een mismatch en voortzetting van/in de huidige functie niet wenselijk is, of omdat, vanwege het ontbreken van een voor de functie noodzakelijk inzicht, een reële kans op verbetering in de nabije toekomst niet is te verwachten, zodat van de werkgever geen ander opleidingstraject mag worden verwacht.

Zoals uit uitspraken van de CRvB in TAR 1994/183 en LJN: BA4514 blijkt, is het niet in strijd met de bepalingen betreffende de proeftijd en met het karakter daarvan, dat het bevoegd gezag zich kort na aanvang van de proeftijdaanstelling al een oordeel vormt over het feitelijke functioneren en het in de toekomst te verwachten functioneren van een ambtenaar.
Een formele beoordeling is daartoe niet vereist. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat sommige rechtspositieregelingen wel een beoordeling eisen voordat negatieve conclusies worden getrokken en daaraan consequenties kunnen worden verbonden. Het verdient daarom aanbeveling de rechtspositie van de ambtenaar te raadplegen. Het is geoorloofd om aan een negatief oordeel tussentijdse gevolgen te verbinden. Sterker nog, van een goede werkgever die goed personeelsbeleid voert, mag/moet dat, in het belang van alle betrokkenen, ook worden verwacht.

Let op. Deze uitspraak zegt niets over tussentijds ontslag van, al dan niet voor onbepaalde tijd, in tijdelijke dienst aangestelde ambtenaren, die op basis van een andere grond dan een proeftijd zijn aangesteld en die disfunctioneren, of waarvoor de grond die tot aanstelling leidde, is vervallen. Denk bijvoorbeeld aan het waarnemen wegens ziekte, of het tijdelijke beroep op de arbeidsmarkt.

Zoals mr. P.L. de Vos dat in zijn annotatie in TAR 2009, pagina 585 ook al opmerkte, ben ik van mening dat ook uit de thans besproken uitspraak een rechtens glijdende schaal blijkt.
Voor het ontslag van een in vaste dienst aangestelde disfunctionerende ambtenaar geldt een zware toetsingsmaatstaf, volle toetsing. Bij het tussentijds beëindigen van een aanstelling van een in tijdelijke dienst, bij wijze van proef, aangestelde ambtenaar zal de toetsing zich moeten toespitsen op de beantwoording van de vraag of de aanwezigheid van relevante tekortkomingen in het functioneren van de ambtenaar aannemelijk is gemaakt, of de ambtenaar een reële kans heeft gekregen zich waar te maken in de proeftijd en daarin niet is geslaagd. Uit de uitspraak blijkt dat de Raad dit een minder (zware) toetsingsmaatstaf acht als hiervoor werd geduid. Vandaar dat ik dit een half volle toetsing noem.
Bij het van rechtswege aflopen en niet voorzetten van een tijdelijk dienstverband op proef is de toetsing beperkt tot de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de ambtenaar niet aan de in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan, marginale toetsing.

Bron: Rechtspraak.nl, LJN: BL2821, uitgebreider besproken in Overheid Personeel, jaargang 2010, nummer 5. De ontslagen ambtenaar, voor de sector Rijk, wordt in nummer 6, jaargang 2010, van Overheid Personeel besproken.

 

Abonneer u op de nieuwsbrief

En ontvang ons laatste nieuws.